Een verwachting is geen voorspelling

Al gauw weer een nieuw verhaaltje, want er valt best wat te vertellen, onder andere over de golven hierboven. En ook ben ik een verklaring schuldig aan degenen die mij volgen via Vesselfinder of Marinetraffic waarom ik niet in Setúbal lig, zoals het plan was, maar in Sines. Maar ik begin waar ik drie dagen geleden stopte met schrijven.
Ik had nog best moeite om dicht bij de uitgang van de lagune van Alvor een goed ankerplekje te vinden, want het was buiten de vaargeul ondieper dan ik had verwacht en daar wilde ik echt buiten blijven want de lokale vissers varen zo hard in hun sportboten dat uitwijken op het laatste moment er niet in zit. Bovendien snijden ze met hoog water de bochten af en AIS hebben ze niet. Ik heb daarom nog maar een tweede ankerlichtje opgehangen om rustig te kunnen slapen.
Bij het vertrek de volgende ochend had ik echt het gevoel aan de terugreis te beginnen. Alvor voelde inmiddels als een soort thuis, na er drie periodes geweest te zijn.
Ik had het zeil al gehesen voor ik de pieren uit was, maar dat had ik net zo goed niet kunnen doen. De motor moest het meeste werk leveren om de 16 mijl naar Sagres te overbruggen.
Daar kun je in de vissershaven niet terecht met een plezierjacht, maar je kunt er beschut ankeren en dan met je bootje naar de kant. Dat is toch wat ik het liefste doe. Het geeft het ultieme gevoel van vrijheid en je bespaart per nacht ook een paar tientjes havengeld.
Sagres is de laatste stop voordat je Cabo Vicente, de zuidwestpunt van Portugal rondt. Daarna krijg je te maken met de uit het westen komende oceaandeining. Hier heb je daar nog geen last van.
Het aardige van het opnieuw bezoeken van een plek is dat je al weet waar het leuk is en daar kun je dan meer tijd aan besteden. In dit geval aan een lange rondwandeling door de natuur ten noordoosten van het stadje. Wat ook zo leuk is, is dat je dan door het vorderde seizoen weer andere planten ziet dan een paar maanden geleden.
Vandaag heb ik me afgevraagd wat het zoeken naar planten nou zo leuk maakt voor mij. Ik doe het niet uit wetenschappelijke belangstelling of voor het maatschappelijk nut, ook al registreer ik de waarnemingen in een officiële databank en ook al probeer ik te begrijpen waaruit de verschillen tussen gebieden bestaan. Het is vooral de kick van het herkennen wat ik geleerd heb en de nog grotere kick van het vinden van iets dat ik nog niet ken. Dat maakt de wandelingen zoveel rijker, dan alleen genietend van het landschap. Zelfs landschappelijk lelijke stukken braakland zijn dan nog leuk.
Die kicks zijn groter dan de frustratie dat ik de namen vergeet van de planten die ik niet elke paar dagen terug zie. Ik herken ze wel, maar oh, die namen….
Determineren met boeken doe ik zelden. Ik heb ze wel bij me, maar ze blijven dicht. Ik heb nog zoveel te ontdekken dat ik me tevreden stel met wat de moderne fotoherkenning te bieden heeft, met apps als ObsMapp en PlantNet. Daarbij heb ik wel zoveel basiskennis, dat ik niet zo gauw in de val trap van een verkeerde digitale determinatie. Ik vergelijk bovendien meestal twee apps.
Sagres is dus een tussenstop om daarna bij Cabo Vicente de bocht om te gaan naar west Portugal. Daar krijg je te maken met de overheersende noordenwinden tussen het Azoren Hoog en een thermisch lagedrukgebied boven Spanje. Maar in het voorjaar is dat thermisch Laag nog niet zo uitgesproken, dus zijn er ook dagen dat er een andere wind staat en daar moet ik gebruik van maken. De volgende dag, dinsdag, zou zo’n dag zijn: de hele dag was de verwachting een constante zuidoosten tot zuidenwind van een prettige sterkte, zo’n 15 knopen.
In de ochtendschemer vertrok ik, op de kaap af. Ik heb het niet zo op kapen. De wind wil er nog wel eens vervelend hard en onverwacht uit de hoek komen. Maar Vicente gedroeg zich uitermate rustig. De wind had wel wat harder mogen waaien want nu was hij amper genoeg om de zeilen goed gevuld te houden. Pas een paar mijl voorbij de kaap kwam de wind op de beloofde sterkte, zo’n 14 knopen. Maar nog een paar mijl verder kwamen er vanaf de rotskust vlagen van 25 knopen. Dat is een windkracht waarbij ik echt moet reven. Maar vooruit, als het een vlaag is hou ik het nog wel even vol. Af en aan ging dat zo een poosje totdat de minimum wind 25 knopen werd en de vlagen ruim boven de 30. Dat kon de boot niet meer handelen en hij liep herhaaldelijk uit zijn roer.
[ Het zeil dat buiten boord staat duwt de boot tegen de wind in. Dat is normaal en veilig bootgedrag wat je moet compenseren met het roer. Maar als de wind te hard wordt kan het roer het niet meer compenseren en draait de boot tegen de wind in, wat je ook doet. Dan is het de allerhoogste tijd om zeil te minderen ]
Bij vol tuig reven met 30 knopen is al geen pretje en daarbij zou ik bovendien de boot in de richting van de rotsen moeten sturen. Ik koos er daarom voor om eerst ruim voor de wind weg te lopen en afstand tot de rotsen te maken. Weliswaar zou ik dan in diep water komen, waar de Orca’s zich kunnen ophouden, maar de keuze tussen rotsen (zeker) of orca’s (kleine kans) durfde ik wel te maken. Toen ik twee reven had gezet en de fok een stuk had ingerold keerde de rust weer terug en kon ik mijn weg vervolgen (en kleren uittrekken om het zweet van het harde werken te laten verdampen). Tot zover de windverwachting 🙁
Mijn vertrouwen in de windverwachting zou nog een deuk krijgen, want na een mijl of 30 begon de wind sterk af te nemen, net als de snelheid. Zelfs met de reven er weer uit liep ik nog maar 4 knopen. En nog wat later moest de motor erbij. En nog wat later kreeg kreeg ik zelfs tegenwind in plaats van de verwachte zuidenwind. Het plan om Sines voorbij te varen naar Setúbal om zo maximaal van de wind te profiteren kon in de vuilnisbak. Na een uur of vier motoren was ik in het begin van de avond bij Sines en vond ik het welletjes.
De haven van Sines is goed beschut tegen de noordenwinden, maar de deining kwam uit het westen en die kon precies door de open havenmond naar binnen lopen. De golfhoogte is dan wel sterk afgenomen, maar 20 centimeter is genoeg om de boot serieus aan het schommelen te krijgen, vooral als de boot dwars op de inkomende golven ligt. Dat is vooral met slapen lastig, want als je in je bed heen en weer rolt slaap je niet. De beste manier om rustig te liggen is op je zij, met je bovenste been opgetrokken, net zoals bij de stabiele zijligging die bij EHBO wordt toegepast. Als dat nog niet genoeg is kun je nog een kussen of opgerolde deken in je rug leggen. Als je zelf maar niet rolt, dan slaap je wel.
De volgende dag, woensdag, zou er heel weinig wind staan en zou het met zekerheid motoren worden (als de weersverwachting deze keer wel klopt…). Een dag later, donderdag zou de zwakke wind beginnen uit oost, om in de loop van de ochtend via noord naar noordwest te draaien. Mogelijk zou dat kansen bieden om tenminste een deel van de tocht aan de wind te zeilen. Dat is nu het nieuwe plan.
Ik had vandaag dus een dag over in Sines. Het stadje is aardig, maar had ik wel gezien. Van de heenweg wist ik dat er ten noorden van de stad een mooie rotskust en verderop duinenkust ligt, als je eerst maar de industrie voorbijloopt. Die is trouwens best indrukwekkend, met hele verkeerswegen van pijpleidingen.
Ondertussen was de deining op zee toegenomen tot een meter of drie en dat leverde spectaculaire golven op aan de kust. Daarvan is de foto bovenaan dit stukje en de video hieronder.
Talloze foto’s en video’s heb ik geschoten. Ik kon er geen genoeg van krijgen en dat vonden kennelijk ook de andere toeschouwers. Pas toen mijn bril wazig werd van het zout ben ik verder gelopen, de rotskust voorbij, de duinen in en met een wijde boog door de natuur en verlaten landerijen terug naar Sines – een prachtige wandeling bij een zomerse temperatuur.
Meer dan 20.000 stappen heb ik gelopen en ik ben bijna geen mens tegengekomen. Wel veel boeiende flora. In de meeste gebieden die ik heb bezocht bestaat de bodem uit verweerde steen. Hier bestaat de grond uit grofkorrelig zand, dat snel uitdroogt en een andere flora oplevert, met diverse voorjaarsbloeiers die snel zaad moeten zetten voordat de zomerdroogte intreedt.
Als ik dan na uren weer terugkom ben ik altijd blij dat het bijbootje er nog ligt. Op een plek waar meer mensen een bijbootje achterlaten kijk ik of ze gewoon met een touwtje vastliggen. Zo ja, dan doe ik dat ook. Maar als ik alleen lig, dan maak ik hem met een ketting en slot ergens aan vast, een hek of steiger of zo. Als je het bootje op een strand achterlaat moet je het uiteraard eerst tot boven de vloedlijn slepen. En als er golfjes staan, dan vergt het nog best behendigheid om zonder natte voeten in of uit te stappen. En als er echte golven staan kun je beter niet proberen om op een strand aan land te gaan. Je zou de eerste niet zijn die met boot en al over de kop gaat.





Reacties
Een verwachting is geen voorspelling — Geen reacties
HTML tags allowed in your comment: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>